Voordat we in de corporate biotoop van de recruiter duiken, nemen we een kleine afslag. De natuur in. Stel je de stem van Sir David Attenborough voor. “Diep in een verlaten vallei in Afrika ontmoeten we een bijzondere vlinder: de Alcon Blue. Zijn levensloop is een van de meest onwaarschijnlijke in het dierenrijk.” Als larve is hij kwetsbaar, teer en afhankelijk. Maar in plaats van zelfstandig te ontwikkelen tot wat hij is, doet hij iets slims. Hij imiteert de geur van een mier. Zó overtuigend, dat de werkmieren hem oppikken en meenemen naar hun kolonie. Daar wordt hij gekoesterd, gevoed, beschermd. Ze behandelen hem alsof hij een van hen is. Wat ze niet weten: Hij eet hun voedsel. Hun voorraden. En uiteindelijk, zelfs hun kinderen. Zodra hij volgroeid is, fladdert hij weer weg. Kleurrijk. Vol energie. De mierenkolonie berooid achterlatend. Je voelt ’m al aankomen. Er zijn recruiters die exact zo bewegen. Ze duiken het vak in met flair, adoptie en een vleugje LinkedIn-ambitie. Ze ruiken als recruiters. Praten als recruiters. Ze lijken erbij te horen. Maar zijn het niet. Ze trekken van hype naar tool, van agency naar corporate, van post naar pitch. En nog voordat ze écht hebben geleerd hoe je een vacature scherp maakt of een kandidaat begrijpt, staan ze op een podium. In een starterset. Als consultant. Ik mis iets. Ik mis mensen die zeggen: “Laat mij eerst maar een jaar meelopen.” Een recruitment maatschappelijk dienstjaar. Bij een bureau dat het vak serieus neemt. Bij een corporate waar ze nog durven zeggen dat selectie een verantwoordelijkheid is. Niet meteen zichtbaar. Niet meteen zelfstandig. Niet meteen winstgevend. Maar wel: leren. kijken. luisteren. bouwen.